Vrijdagmorgen verlieten we Akureyri om naar Egilstadir te rijden waar we twee nachten zouden verblijven. We nemen de ringweg 1 uit en passeren al snel weer de waterval van Godafoss. Het landschap verandert steeds omdat het ook mooi weer is, valt er in de omgeving veel te zien.
We bereiken het hete bronnen veld van Hverir (de naam betekent ook hete bronnen), een toeristische trekpleister waar ook wij uiteraard stoppen.
Het is een vreemd schouwspel, de roodachtige vlakte waar op veel plaatsen stoom of aan de oppervlakte komt of hete modder komt opborrelen. Het koude grondwater zakt hier door de bodem en komt diep onder de grond in contact met heet magma waardoor het een temperatuur van 200c bereikt en als stoom weer aan de oppervlakte komt. Er komt ook zwavel mee en die kenmerkende geur herken je direct. Als je de warmwaterkraan in een hotel opendraait ruik je ook vaak de zelfde kenmerkende geur omdat het hete water vaak wordt aangeleverd door hete bronnen.
We lopen enige tijd rond en verbazen ons over kracht waarmee de stoom uit de fumarolen (openingen in de aardkorst) wordt geblazen.
IJsland wordt vaak een land van vuur en ijs genoemd. Water mag daar zeker ook bij worden genoemd. Overal waar je rijdt zie je kleine en soms grotere watervallen van de bergen komen. We stoppen vandaag bij twee grotere: de Dettifoss en de Selfoss. De Dettifoss is de grootste en krachtigste waterval van Europa. Per seconde klatert er 200.000 liter water naar beneden. Het is een spectaculair schouwspel.
De kleinere, de Selfoss, die maar een paar minuten wandelen van de Dettifoss ligt, is zeker niet minder spectaculair. Deze bestaat uit een tiental watervallen die vlak naast elkaar liggen.
We rijden door naar Ekra, 40 kilometer ten noorden van Egilstadir, waar we de komende twee nachten zullen verblijven. We slapen in een leuke cottage. Er is een kleine kans op het zien van noorderlicht, maar helaas blijft het bewolkt.








